Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Leenderbos
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Het Leenderbos, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Ze hebbe van de hej 'n bos gemakt"  Het Leenderbos en andere naaldbossen


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


Het Leenderbos:  “Ze hebbe van de hej ’n bos gemakt”

Door het eeuwenlange voortduren van de haalprocessen was in de middeleeuwen en lang daarna het landschap van de hogere gronden open
en boomloos. Alleen in de beekdalen groeide hout: broekbos in de klotgoren, heggen en bomen (vooral knotbomen)
langs de graas- en hooipercelen en opgaande bomen en struikhout langs de wegen. Rond akkers en kampen lagen dan nog de houtwallen.
En in de dorpen waren er tuinhagen, erf- en fruitbomen en wat sierhout.
Het bos bij het kasteel Heeze was in 1440 nog maar "enen cleynen bosschelken" en er was ergens nog
"een andere bosschelken geheiten Merlebosch aen die molen". Toch bracht de "vorsterie van Heese ende van Leende" jaarlijks
"omtrent Xllclinckarts"
op.
Uit een verbaal van grensopneming van de heerlijkheid door de commissarissen van de Raad van Brabant in juli 1527 weten we dat er
tussen 't Hout (Geldrop) en Heeze "ontallijcke eijcken" groeiden "bij manieren van eenen bosch zoo verre men zien mach".
Ook waren er "diverse bereken boom en tegen over den pael genoemd den Groenen Stal" en een "menichte van berckenboome
int sant aichter Strijpe bij maniere oft eenen Boseh
"; aan beide zijden van de 'Strijperdycken' waren "zekere opstallen
ende gemeijnten beplant met diverse boomen
".

In het huurcontract voor de heide van St. Jan 1809 reserveert de baron "heide te mogen inneemen of uitgeven om tot bosschen te worden gemaakt";
in het contract van St. Jan 1784 ontbreekt een dergelijke bepaling nog. Waarschijnlijk dateren uit die tijd de oudste
naaldbossen van de heerlijkheid: de zware dennenbossen in de buurt van het kasteel, waarvan nog enkele dikke dennen zijn overgebleven.
In het landboek van Leende van 1766 is sprake van 'een dennenbos genaamt het dennebos'.
Dit is mogelijk de oudste dennenbebossing in Leende; de ligging van dit bos is onbekend.

Op de topografische kaart van 1837 vinden we in Leende maar enkele bosjes: in De Kooyen, in De Rey en De Kooibroeken langs de Kleine Aa
(een deel van dat bos is er nog, bij het kuurchalet), in De Jansborg en verder wat goorbosjes in De Riesten, De Berke en De Putten
in het dal van de Strijper Aa en in De Mollenveldjes langs de Tongelreep. Het zware eikenbos bij de Renbrug komt
op de kaart van 1837 nog niet voor.

De vroegere bossen en bosjes, heggen en boom rijen bestonden steeds uit loofhoutsoorten.
De resten van dennenbomen die o.a. in het veen van de Peel worden gevonden (kienhout) stammen uit het Preboreaal
(ca. 8000-7000 v X), toen hier een kouder klimaat heerste. In het warmere klimaat van het huidige Subatlanticum
zijn dennen in onze streken niet inheems.
Onze dennenbossen zijn dan ook allemaal kunstmatig, ook al ontstaan er 'vanzelf' vliegdennenbossen in stuifzanden en
heiden door natuurlijke uitzaai vanuit door de mens aangelegde dennenbossen.

Het oudste Brabantse dennenbos is het Mastbos bij Breda, aangelegd door Hendrik graaf van Nassau (1483-1538).
Het zaad kwam uit Neurenberg, want de rentmeester van de graaf doet in 1515 betalingen aan
 "Hanzen van Norenborch die myn heere bevolen hadde te brengen van Norenborch saet om tselve alhier te doen saeijen
en planten te weten XX sacken
". In de 17e eeuw was het aanleggen van dennenbos nog een grote bijzonderheid,
wat blijkt uit het opschrift van de grafsteen (Vosselaar, 1697) van "den eersaeme Adriaen Ghijs, boshuyer, die den eersten mastboom
gesaayt heeft in grooten houtbosch anno 1675";
het grote houtbos is het oude bos bij Postel. In 1783 werd op last van
de schepenen van Lierop al dennenhout verkocht.

De weinige 18e-eeuwse dennenbossen zijn waarschijnlijk vooral aangelegd voor het beteugelen van zandverstuivingen.
Op wat grotere schaal begon het aanplanten van dennen pas in de 19e eeuw.
Tussen 1833 en 1856 werden in Noord-Brabant 28000 ha bos aangelegd; we kunnen veilig aannemen dat dit vooral bossen waren
van grove den (hier 'mast' en ook wel 'Schotse spar' genoemd) en op kleinere schaal van zeeden. Eind 19e eeuw verkochten
veel gemeenten heidegronden aan particulieren om deze tot boerengrond te laten ontginnen.
Toen de gemeenten hierdoor te veel eigendommen en (toen nog jaarlijks terugkerende) inkomsten dreigden te verliezen,
kwam de Staat met het Koninklijk Besluit van 27.7.1907, waarvan het eerste artikel luidt:
"Iedere gemeente, die naar het oordeel van het Staatschbosbeheer eene voldoende uitgestrektheid voor bebossing en ontginning
geschikte gronden bezit, kan zich voor het verkrijgen van een renteloos voorschot wenden tot Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel".
De Staat nam deze maatregel niet uit zorg voor het natuurlijk milieu, dat door het ontginnen van heide meer en meer in landbouwgrond
werd omgezet. Een dringender reden was de in volle gang zijnde industriële ontwikkeling. De winning van de benodigde energie - steenkool -
vroeg steeds grotere hoeveelheden stuthout voor de mijngangen. En dennen leveren het beste mijnhout omdat het lang voordat
het doorbreekt door kraken de mijnwerkers al voor instortingsgevaar waarschuwt.

Na 1907 werd het Brabantse bosareaal uitgebreid met 'renteloos­voorschot-bebossingen', vooral in de Peelgemeenten (Maarheeze,
Someren, Asten, Deurne, Bakel, Helmond). Niet in Leende, want de gemeijntgronden waren eigendom gebleven van de eigenaar van
de vrije grondheerlijkheid, die er overigens wel van verkocht. Elders werden in de Franse tijd de gemeijntgronden min of meer automatisch
eigendom van de toen ingestelde gemeenten. Vrouwe Ursule van Tuyll van Serooskerken verkocht in 1900 vooral onder Leende grote
oppervlakten gemeijntgronden aan particulieren, o.a. (voor f 65. - /ha) aan de Vlaamse Baron Gilles de Pellichy.

De oudste naaldhoutbebossingen van Leende zijn aangelegd op Valkenhorst, juist ten noorden van de Valkenswaardseweg
in de omgeving van de Ronde Vlaas; op de topografische kaart komen deze bebossingen het eerst voor op de uitgave van 1898.
Ook ten noorden van de Kluis was toen al enig bos aangelegd. Op de uitgave van 1927 zijn de bebossingen van Valkenhorst iets in oostenlijke
richting uitgebreid; in Het Molenschut begonnen de eerste landbouwontginningen.
De Mariahoeve in de Zevenhuizensche Heide was in 1927 al gebouwd en er waren daar al enkele tientallen hectaren tot boerenland ontgonnen;
later zijn bij de Mariahoeve ook dennenbossen aangelegd en nog maar enkele jaren geleden zijn ook landbouwgronden op de Mariahoeve bebost.

En in de dertiger jaren werd het Leenderbos gemaakt en werden de bossen van Valkenhorst groter.
Dat grote stevige Leenderbos ziet er uit alsof het er altijd is geweest. Toch is het nog maar nauwelijks veertig jaar oud.
(1974 de webbeheerder)
Op 20.12.1931 kocht de Staat door bemiddeling van W.H. de Beaufort te Maarn in één klap 1209 ha in de Groote Heide onder Leende
van M. J. G. Baron Gilles de Pellichy te Maele St. Kruis bij Brugge voor f 151. - /ha. Later ­op 9.6.1936 - kocht de Staat
nog eens 384 ha van hem voor f 130. - /ha; dit betrof het aller-zuidelijkste deel van de Leenderhei tussen Den Dubbele Paol
en de gronden van de Kluis. Door kleine aankopen, ruilingen en verkopen (o.a. aan landbouwers) is het Leenderbos
(de vroegere 'Boswachterij Leende'), inclusief de niet-beboste heidegronden nu 1535 ha groot:
943 ha naaldbos, 95 ha loofbos, 90 ha wegen, 9 ha verpachte landbouwgrond en 398 ha natuurterrein.

Als gevolg van de economische crisis was aan het eind van de twintiger jaren het aantal werklozen zeer groot, vooral in Eindhoven en Helmond,
maar ook in Valkenswaard en Geldrop. De ontginning van de Leenderhei tot bos was dan ook vooral werkverschaffingsobject; de uitbreiding van de bosoppervlakte was een overweging van de tweede orde. De Leendse boeren hebben overigens tegen dat bebossen nog wel geprotesteerd:
in plaats van een bos zouden er ook honderd grote boerderijen kunnen worden gemaakt.
In de jaren 1932-1941 is ruim 1000 ha heide en stuifzand door werklozen met de hand schopje voor schopje omgespit,
ca 50-70 cm diep, waarbij vooral de harde oerbank van het heidepodzolprofiel moest worden gebroken.
Daarbij is in totaal ongeveer zes miljoen kubieke meter heidegrond losgespaaid en omgezet door buiten hun schuld werkloos geworden mannen,
geen van allen echte spaaiers.

Het Leenderbos behoorde achtereenvolgens tot de staatshoutvesterijen 'Eindhoven' (houtvesters B.J. Winkelman tot 1940,
en A.M.E. Papenhuyzen tot 1956), 'Helmond' (houtvester Ir. L.C. Geerling tot 31.3.1966) en 'Brabant-Oost' (houtvester Ir. C. Tutein Nolthenius,
sinds 1.4.1966). De dagelijkse leiding bij ontginning, bebossing en beheer hadden aanvankelijk de wnd boswachter
A.J. van Dijk (31.6.1932-31.4.1934) en de boswachter W. Kieft (1.5.1934-31.8.1935). De grote man van het Leenderbos werd de
bosbouwkundige hoofdambtenaar HW. Breevaart, die de boswachterij leidde van 1.9.1935 tot aan zijn pensionering in 1967,
waarna hij werd opgevolgd door de bosbk hoofdambtenaar F.X. Moorman. Voorwerkers (later bosopzichters geheten)
waren achtereenvolgens H.J. de Haan, J.J. Verhofstadt (sinds 4.7.1932) en J.M.GA Christiaens (sinds 1.5.1962).
De arbeiders werden gebracht met twee grote bussen, achter elke bus een aangekoppelde volgbus. Meestal waren er enkele honderden spaaiers,
maar in een bepaalde week werkten er eens 440. Zij kwamen uit allerlei beroepen; op een dag telde Breevaart 150 beroepen onder zijn mensen,
maar de meesten waren gewoonlijk toch textielarbeiders en sigarenmakers. Het jonge Leenderbos werd geplant door de beste werklozenploegen
en door seizoenwerklozen uit Leende, Borkel/Schaft en Gastel. De planten werden aangedragen en 'ingehangen' door tientallen jongens,
die pas van school kwamen. Enkele vakken werden bezaaid; in vak 49a, waar lariks werd gezaaid, kiemden vijf jaar na het zaaien nog larikszaden. Boswachter Breevaart was eigenlijk nooit klaar. Hij moest zelf de lonen berekenen en uitbetalen.

Het grond bedrag voor het spit- en plantwerk was 24 ct. per uur. Daarop kwamen toeslagen: gemeentetoeslag (bijv. voor Helmonders 4 ct/uur,
voor Eindhovenaren 6 ct/uur), prestatietoeslag (gemiddeld 1 ct/uur). De fietsers kregen f 1. - per week extra; laarzen- en kledingvergoeding
werd niet gegeven en er was geen kinderbijslag. De zak met vooral muntgeld, die Breevaart elke week donderdags op het postkantoor moest halen,
kon hij nauwelijks alleen dragen. Hij was in die tijd de grootste geldtransporteur in de streek, maar is nooit overvallen.
Men moest 50 uur per week werken. De nieuw gemaakte zandwegen konden niet door de personeelsbussen worden bereden.
Het vorderen van het werk hield in dat de arbeiders steeds groter afstanden moesten lopen van de busstopplaats naar het werkveld
en dat de bussen dus eerder moesten arriveren. Want het werk ving 's morgens om zeven uur aan: dat betekende dat precies op dat uur
de jassen uit moesten zijn en de schoppen in beweging gingen. Om aan het gemopper over langer wordende loopafstand een eind te maken
werd in de jaren '36 en '37 de Kromme Weg door de boswachterij verhard met een 3 m brede bestrating van klinkers.
Het straatwerk werd uitgevoerd door werkloze stratenmakers uit Eindhoven.

Met het grondwerk werd in 1932 begonnen in de Molenheide. Eind 1932 werd het eerste bosvak ­vak 10a - ingeplant.
In 1933 werd op grote schaal bebost langs de Valkenswaardse weg en in het stuifzand van de Molenheide. In één jaar werd eens 135 ha opgeplant.
De meeste jonge bomen werden gekweekt in eigen tijdelijke kwekerijen. Het grootste probleem bij de bebossingen was het verstuiven van het losgespitte zand. Bij sterke wind stoof het hele gebied en waaide er tot voorbij Leende zand weg. Men poogde het beweeglijke zand te
beteugelen door het leggen van zoden en het zo spoedig mogelijk na het spitten inzaaien van lupinen.

Het Leenderbos wijkt nogal wat af van andere naaldhoutbebossingen in de streek. Het dambord­patroon van haaks elkaar kruisende wegen
werd niet toegepast. Alle wegen verlopen bochtig en geen enkel bosvak is vierkant. Bovendien is de variatie in het Leenderbos vergroot door
het - waar mogelijk - toepassen van andere houtsoorten dan alleen maar grove den, en door het vrij ruim uitsparen van vennen en heidereservaten. Toch is de meest gebruikte houtsoort nog de grove den, geplant op afstanden van 80 x 80 cm, dit is 16000 stuks per ha. Vak 2a
tegenover Jagershorst werd in '34 beplant met bergden (kruipden) i.v.m. windrechten van de Heimolen.
Sinds 1936 werden ook vakken beplant met corsicaanse den en Oostenrijkse den. Een aantal vakken werden beplant met andere
uitheemse houtsoorten (exoten), het zgn. meereisend naaldhout: japanse lariks, douglasspar, fijnspar en sitkaspar.
Bijna 11 ha werd beplant met zomereik. Op de betere gronden zijn gemengde beplantingen van naaldhout en loofhout aangelegd.
Voor de aanleg van de meereisende houtsoorten is in het algemeen dieper gespit (plaatselijk tot 100 cm), is 'vóórbouw' toegepast van
eenjarige gele lupine, overblijvende blauwe lupine en eenjarige serradelle, en werden bemestingen gegeven van gemiddeld per ha: 2000 kg dolomietmergel, 500-800 kg slakkenmeel, 200 kg kali 40% en 75 kg kalkammonsalpeter. De loofhoutstroken (brandsingels) rond de bosvakken
zijn aangelegd van berk, Amerikaanse vogelkers, Japanse lariks, lijsterbes, beuk en tamme kastanje. Bijna overal is daar nu alleen de berk
nog van overgebleven; de oorzaak daarvan is het konijn. In de meeste vakken werden inlandse en Amerikaanse eikels tussen de hoofdhoutsoorten gezaaid. De beplantingen van de meereisende houtsoorten werden gemengd met veel 'vulhout' van grauwe els en Amerikaanse vogelkers
(wilde seringen). Door het inplanten van vulhout is een jong bos wat eerder 'in sluiting', wordt de konijnenschade wat verdeeld en wordt een natuurlijker bosmilieu verkregen. Ook verwachtte men van het vulhout een betere strooiselvertering. Het is ontzettend jammer - en daar hebben
de bosbouwers dan ook geweldige spijt van - dat als vulhout ook uit andere werelddelen ingevoerde houtsoorten zijn gebruikt,
die nu in alle bossen op de zandgronden, maar ook in houtwallen en in natuurterreinen verwilderen.

De beruchtste is de Amerikaanse vogelkers, een sterke snelgroeiende maar agressieve soort uit het ZO van Noord-Amerika,
waar ongeveer dezelfde milieuomstandigheden (klimaat, bodem) zijn als hier. In het natuurlijk verspreidingsgebied wordt deze vogelkers
(Prunus serotina) onder controle gehouden door andere even agressieve soorten, maar hier heeft de soort zich sinds de dertiger jaren
zo sterk uitgebreid, dat die al gauw de naam 'bospest' kreeg.
De bospest overwoekert de hoofdhoutsoorten en geeft veel last bij vellen, dunnen en herbebossing, maar komt ook al voor in heiden,
stuifzanden, houtwallen en in bossen waar hij nooit is geplant. De oorspronkelijke flora wordt verdrongen.
De Amerikaanse vogelkers bevat amandelzuur, dat bij vertering van blad, takken en vruchten ontleedt in het zeer giftige blauwzuur;
hierdoor vergroot de bospest zijn concurrentiekracht. Jonge bospestplanten kunnen nog door uittrekken worden verwijderd.
Afkappen helpt niet; de stobben maken binnen het jaar weer lange loten. De bospest kan alleen met succes worden bestreden door
het strooien van bepaalde zouten op de afgezaagde stobben en door bespuiten en besmeren met een oplossing van 2.4.5.T-ester,
 hetzelfde middel waarmee Vietnam ontbladerd werd.

Enkele bosvakken van het Leenderbos zijn inmiddels alweer herbebost. In de zestiger jaren zijn tegen de Belgische grens nog heidebebossingen uitgevoerd, vooral met corsicaanse den en grove den; sinds 1965 is geen heide meer veranderd in bos. De totale houtmassa van het Leenderbos
is nu ruim 75.000 m3 over een bosoppervlakte van ongeveer 1.100 ha. Naar schatting groeit er tegenwoordig jaarlijks ca 7.000 m3 hout bij;
hiervan wordt elk jaar ongeveer 2.500 m3 ontschorst stamhout geoogst.

Het Leenderbos heeft in het verleden gelukkig nauwelijks door brand geleden. Bij de zware stormen van 13.11.1972 en 2.4.1973
vielen resp. 450 en 500 m3 hout, bijna de helft van een jaaroogst; vooral douglas en fijnspar waaiden om.
Het verspreid liggende stormhout heeft het werk- en vellingschema van de bosbeheerder in de war geschopt. Erger voor het bos is
waarschijnlijk het talrijker optreden in de komende jaren van allerlei schorskevers. Deze leggen eieren aan het eind van boorgangetjes,
bij de meeste soorten tussen bast en hout van kwijnende, dode of omgewaaide (niet meer harsende) naaldbomen.
Zowel de larven als de kevers kunnen schadelijk zijn voor de groei van gezonde bomen in de omgeving. Eventuele schade zal echter pas in
de jaren 1974-1976 merkbaar zijn. De meest gevreesde is de dennenscheerder, een maar 4 mm groot kevertje;
de jonge kevers vliegen in juni naar de toppen van de dennen, waar ze de bovenste jonge loten uithollen, die dan afbreken.
Andere gevaarlijke schorskevers zijn de gestreepte dennenhoutkever (vreet diepe gangen in naaldbomen), de kleine dennenhoutkever
(idem, echter alleen in grove den), de letterzetter (alleen in fijnspar), de grote dennensnuitkever (legt eieren in dode stobben;
de jonge kevers bevreten jonge opstanden), de zwarte dennebastkever (legt eieren in stobben;
jonge kevers vreten o.a. aan de wortelhals van jonge naaldbomen) en de sparrebastkever.

De Japanse lariks wordt elk jaar geplaagd door talrijke lariksmotjes, waarvan de larven de pas uitgelopen jonge naalden uitzuigen.
Zo’n bruin geworden lariksmotjesbos ziet er uit of het verdroogd of bevroren is. De 'slimme' lariksmotlarven hullen zich in een uitgezogen naald, waardoor ze minder opvallen. Het jonge Leenderbos heeft van allerlei insectenaantastingen te lijden gehad. De belangrijkste zijn die van de dennenlotrups (die een kromme vergroeiing, de zgn. waldhoorn, aan dennenstammen veroorzaakt), de dennenknoprups en de dennenbladwesp.
De laatste soort heeft vooral in de dertiger jaren overal in Nederland honderden hectaren jonge dennenbossen volledig kaalgevreten.
Naarmate het Leenderbos opgroeide en een echt boskarakter kreeg, waarin vooral het aantal bosvogels toenam,
komen insectenplagen minder voor. Naar de mieren van onze naaldbossen hebben we geen onderzoek gedaan.
Wel is te melden dat de hoge nesten van de rode bosmier (een belangrijke soort voor het beperken van schadelijke insecten)
overal in onze bossen vrij gewoon zijn.

L. Tinbergen heeft in de zomer van 1941 op de Veluwe eens nagegaan hoe de vogelbevolking verandert naarmate een eenvormig dennenbos
op niet al te beste zandgrond ouder wordt. In de eerste jaren komen daarin de vogels van de heide nog voor.
In het 5-10 jarig dennenbos wonnen typische struikvogels: kneu, geelgors, fitis, grasmus, braamsluiper, wat later volgen roodborst en merel.
In het 20-jarige dennenbos dringen de mezen binnen: kuifmees, zwarte mees, koolmees, pimpelmees en matkop, en wat later volgen vink,
gekraagde roodstaart, grote lijster, tortelduif, houtduif en gaai; de struikvogels verdwijnen voor en na.
Dit komt aardig overeen met onze bevindingen; alleen de braamsluiper ontbreekt hier.
In onze al wat oudere naaldbossen zijn vooral de houtduiven vrij talrijk, maar er zijn ook vrij veel roodborsten, merels, vinken en
alle soorten 'boom' mezen. Zanglijster, grote lijster, tortelduif, gaai, gekraagde roodstaart, winterkoning, heggenmus en tjiftjaf
zijn minder talrijk. Ook de tuinfluiter is als broedvogel van het Leenderbos bekend. Goudhaantjes schijnen toe te nemen.
Ook vuurgoudhaantjes worden steeds gezien, ook in de zomer; het is mogelijk dat er enkele paartjes broeden.
Opvallend was in 1973 het grote aantal zwartkoppen, vooral op plaatsen met loofhout. Goudvinken broeden jaarlijks in enkele paartjes,
vooral in het westelijk gedeelte van het Leenderbos. Zwarte kraai en ekster komen verspreid broedend voor.
De torenvalk is het algemeenste roofvogeltje; maar in 1973 toch niet meer dan 5 broedgevallen in naaldbossen.
Ook de sperwer wordt in de broedtijd wel eens in het Leenderbos gezien, maar broedgevallen zijn nooit met zekerheid vastgesteld.
Buizerden hebben zeker in 1962 en '63 in het Leenderbos gebroed; ze worden er in de broedtijd nog wel waargenomen.
Op het landgoed Mariahoeve werd in '73 een paartje buizerden met 3 jongen gezien. In 1962 broedde in het Leenderbos ook een paar haviken,
 mogelijk ook in eerdere jaren. Na '62 is broeden van de havik in Leende niet meer vastgesteld. Broeden van de houtsnip is waarschijnlijk in het vochtiger westelijk gedeelte van het Leenderbos. In bosranden broedt een enkel paartje groene spechten.
De zwarte specht is algemener in naaldbossen, zeker als daarin ook wat loofhout groeit; in 1973 zeker 2 paartjes in het Leenderbos
en 1 paar op Valkenhorst. Op kapvlakten en stille boswegen broedt wel eens een paartje nachtzwaluwen.
De fazantenstand in de naaldbossen en elders is voor een deel kunstmatig.

Reeën houden zich vooral op in de buitenste bosvakken, vooral aan de westkant van het Leenderbos, waar meer afwisseling is in het landschap. Konijnen komen ook in de naaldbossen zeer talrijk voor, vooral in de randen. Vossen zijn er weinig.
In 1964 werd in het Leenderbos nog een volwassen wild zwijn geschoten.

Onze jonge naaldbossen lijken saai en oninteressant. Onder dichte douglas- en fijnsparbossen groeit helemaal niets.
De bodem van dennenbossen is meestal begroeid met maar één soort gras: bochtige smele.
Toch vormen de naaldbossen met de overgebleven heiden, vennen en hoogvenen de voedsel arme component van het ecologisch weefsel
van Oost-Brabant. Vooral de dennenbossen op de armste gronden zijn erg waardevol omdat de vanouds bestaande oligotrofie er goed
kan bewaard blijven en ze daarom een belangrijke rol spelen in het ingewikkelde ecologisch uitwisseling programma dat in ons landschap
wordt uitgevoerd. De kenmerkende hoge inwendige stabiliteit van voedselarme terreinen neemt in dennenbossen toe naarmate ze ouder worden,
de bij de bosaanleg verstoorde bodem opnieuw rijpt en er zich een evenwichtig opgebouwde levensgemeenschap vormt. Maar verdere verstoringen moeten dan achterwege blijven. Ingrepen als veranderen van de waterstand, bodembewerking, toevoer van voedingsstoffen (o.a. door bemesting, vuilstort en beëindigen van de oogst), plotselinge veranderingen als kaalkap of brand en andere milieuvijandige ingrepen doen schade aan de ecologische waarde van het naaldbosmilieu. Het bouwen van huisjes en het toelaten van autootjes in onze bossen is voortaan verboden, nu we allerwegen ervan overtuigd raken dat we de het-kan-niet-op-economie zo gauw mogelijk moeten verlaten.

In de verleden tijd, toen mijnhout het voornaamste productie doel was, werden omlooptijden van 40-50 jaar toegepast. Na het vervallen van de mijnhout­markt heeft in veel gevallen de bosbouwpraktijk hierop gereageerd door de dennenbossen langer te laten doorgroeien en omlopen
van 60-70 jaar toe te passen. Het kaalkapsysteem is echter nog algemeen in praktijk. Dennen kunnen veel ouder worden, honderden jaren zelfs. Oudere dennen zullen een goede afzet vinden op de zaaghoutmarkt. Ook kunnen we, nu de milieuwaarde belangrijker wordt gevonden dan bijv.
de houtopbrengst, onze bossen minder eenvormig laten worden. Wanneer het uit de mijnhoutpraktijk voortgekomen kaalkapsysteem wordt
verlaten en de naaldbossen van tijd tot tijd slechts worden gedund, wordt het milieu veel minder gestoord, vervalt de herhaalde bodemverwonding
voor de heraanplant na kaalkap en wordt de bodemrijping niet meer onderbroken.
Er zullen zich dan interessante milieunuttige mossen-, kruiden- en struikenvegetaties ontwikkelen en de houtopstanden zullen
geleidelijk aan gevarieerder van samenstelling worden met dennen van verschillende leeftijden, die doormengd zijn met opgaande eiken,
abelen, berken en lijsterbessen, die zich allemaal vanzelf verjongen.
Dergelijke oude dennenbossen, beheerd volgens een uitkapsysteem, zullen veel stabieler zijn en ze zullen een vollere en evenwichtige inhoud
aan plantaardige en dierlijke organismen hebben, milieu dienstbaarder worden en ook voor landschap en recreatie van grotere betekenis zijn.




   naar het begin


einde